
Mieke Bernink aan het woord
In maart 2009 zal de nieuwe master Film van start gaan, geïnitieerd door de Nederlandse Film en Televisie Academie. Mieke Bernink, per 1 september benoemd tot lector Film aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, is sinds twee maanden bezig de master op te zetten en heeft nog een kleine vier maanden te gaan tot de eerste studenten met uiteenlopende achtergronden in het gebouw van de Filmacademie aan het mastertraject zullen beginnen. Hoog tijd om haar en de plannen voor de nieuwe master voor te stellen.
Interesse in bewegend beeld
Voortvarend is Mieke Bernink als kwartiermaker van de nieuwe master begonnen en dat doet vermoeden dat het doel, begin maart te starten met – in eerste instantie – tien Nederlandse studenten, wordt gehaald. ‘De master voorziet in een grote behoefte. Op dit moment is er in Nederland geen mogelijkheid voor getalenteerde jonge makers zich verder te ontwikkelen en door te stromen. We willen een masteropleiding creëren die op de hele sector in al zijn diversiteit aansluit. Het wordt geen ‘aansluitmaster’ voor de bacheloropleiding van de Filmacademie. Heel bewust willen we ook ex-studenten van opleidingen op het terrein van beeldende kunst, animatie, nieuwe media, misschien zelfs journalistiek bereiken. Dat maakt kruisbestuiving mogelijk en geeft een impuls om de grenzen van film te onderzoeken en traditionele referentiekaders te overschrijden. Idealiter hebben de deelnemers aan de master al enige jaren ervaring in het veld, maar dat is geen formele vereiste. Ook makers die hun sporen al hebben verdiend maar hun bakens willen verzetten en daartoe behoefte hebben aan verdieping zijn meer dan welkom.’ In de toekomst, waarschijnlijk vanaf 2011, zal de master ook internationaal worden aangeboden. Wel zal er, door de aanwezigheid van internationale gastdocenten, vanaf het begin een internationaal perspectief zijn. ‘En daar gaat het uiteindelijk om: toptalent moet bestand zijn tegen internationale vergelijking.’
Skrien
Mieke Bernink studeerde psychologie en filosofie. In het kader van haar studie Cultuur- en godsdienstpsychologie kwam zij eind jaren tachtig aan het Centre for Contemporary Cultural Studies aan de universiteit van Birmingham in aanraking met het onderzoek naar populaire cultuur en in het bijzonder film en televisie. Nog tijdens haar studie werd zij gevraagd als televisieredacteur bij het filmtijdschrift Skrien.Na haar afstuderen bereidde Bernink een promotieonderzoek voor over experimentele film en de Franse filosoof Gilles Deleuze. Toen haar het hoofdredacteurschap voor Skrien werd aangeboden koos zij echter voor de ‘dynamischere wereld van de journalistiek’. ‘Als maandblad voor film en beeldcultuur wilde Skrien een gidsfunctie vervullen, niet alleen door hoe het over film schreef, maar ook doordat het film plaatste in een breder medialandschap. Er was daarom veel aandacht voor de grensgebieden van film – televisie, beeldende kunst, nieuwe media – en voor de cultuur- en omroeppolitiek die dat landschap mede vormgeven. Voor de Nederlandse film werd extra plek ingeruimd, zowel in nationale als internationale context. Daarom startte Skrien onder andere de reeks ‘dagboek van een jonge cineast’, waarin jonge Nederlandse makers een dagboek bijhouden over het wordingsproces van hun film en de dilemma’s waarmee zij zich geconfronteerd zien.‘ Haar periode bij Skrien heeft Bernink, naar zij zegt, ‘in hoge mate gevormd’.
Toptalent voor de Nederlandse film
‘De Nederlandse film is te zeer op de eigen sector en op Nederland gericht.’ Volgens Bernink zijn er te weinig filmmakers die het internationale debat aangaan. ‘Het internationale perspectief ontbreekt, zowel inhoudelijk als productioneel. Dat heeft onder andere te maken met de Nederlandse subsidiestructuur, waardoor het niet noodzakelijk is om internationale coproducties aan te gaan. Maar het heeft ook te maken met mentaliteit, met kennis over en interesse in wat over de grenzen gebeurt en waarom.’ Het zou goed zijn als de Nederlandse filmsector de ramen open zou zetten en zich, meer dan nu gebeurt, engageert met een wereld waarin de grenzen tussen film en andere media steeds meer vervagen en waarin de ontwikkelingen van de technologie nieuwe vormen van filmische verbeelding mogelijk maken. ‘Cross-overs tussen bijvoorbeeld animatie en speelfilm of documentaire bieden allerlei nieuwe verbeeldingsmogelijkheden. Met de technische middelen die er nu zijn kan in feite elke fantasie, elk idee gerealiseerd worden. Dat legt wel veel meer druk op de creativiteit, de diepgang en de oorspronkelijkheid van de filmmaker, maar biedt ook enorme kansen.’ Ook zou de Nederlandse film, wat Bernink betreft, minder ‘braaf’ mogen zijn, ‘dwarser’ en ‘meer maatschappelijk geörienteerd’. Ook hier is het subsidiesysteem gedeeltelijk debet aan. Mogelijk speelt ook een rol dat de sociaal-economische en culturele achtergrond van de meeste filmmakers, -studenten en -docenten, veelal die van de gegoede, autochtone Nederlandse middenklasse is. ‘Stimulering van talent uit andere sociaaleconomische en culturele milieus, een opening naar de maatschappij, internationale ambities en versterking van bestaand talent zou kunnen leiden tot nieuw toptalent voor de Nederlandse film.’
Raad voor Cultuur
Van 2001 tot 2008 was Mieke Bernink actief als secretaris Film en coördinator Oude en Nieuwe Media bij de Raad voor Cultuur, het adviesorgaan van kabinet en Tweede Kamer met betrekking tot overheidsbeleid op het terrein van kunst en cultuur. Goed beleid is volgens Bernink voorwaarde voor een vruchtbaar kunst- en cultuurklimaat. ‘In de rol van beleidsadviseur heb je als Raad voor Cultuur de mogelijkheid het filmklimaat te versterken door aandacht te vragen voor bepaalde onderwerpen en daarvoor beleidsvoorstellen te doen. Een van de thema’s waarmee Bernink zich bij de Raad bezighield was talentontwikkeling. ‘Het gaat erom een lijn te ontwikkelen waarlangs ‘aanstormend’ talent zich kan ontwikkelen tot toptalent dat zich internationaal kan meten. De AHK met de nieuwe masteropleiding Film en het Binger Filmlab zullen daarbij een belangrijke functie vervullen.’ Versterking van het filmklimaat reikt echter verder dan alleen versterking van de productiemogelijkheden. Ook het verbeteren van de distributie- en vertoningsmogelijkheden van Nederlandse, en van buitenlandse films, is van belang. Dat geldt ook voor het ondersteunen van filmeducatie in het onderwijs en voor de omgang met het filmisch erfgoed. Aan dat laatste onderwerp wijdde de Raad voor Cultuur een lijvig advies, dat door de regering werd overgenomen en resulteerde in het project Beelden voor de Toekomst. ‘Meer dan 170 miljoen heeft de overheid uitgetrokken om het Nederlands audiovisueel erfgoed door conservering en digitalisering beschikbaar te maken voor onderwijs en publiek.’
Ook het advies voor een breed sectorinstituut voor de film werd door Bernink verwoord. ‘Je ziet dat de filmsector in Nederland versnipperd is. Een sectorinstituut kan enerzijds de sector versterken doordat er door bundeling van taken en instellingen meer eenheid en meer daadkracht ontstaat. Anderzijds functioneert zo’n sectorinstituut als een forum voor reflectie, debat en onderzoek en kan het de sector op die manier verrijken.’ In haar rol als coördinator van het domein Oude en Nieuwe Media was Mieke Bernink tot slot ook betrokken bij de ad-hoccommissie Mediawijsheid. ‘Een thema dat veel verder reikt dan de film-, media- en televisiesector. Het betreft eigenlijk de maatschappij als geheel: welke consequenties hebben medialisering en digitalisering voor de samenleving, hoe willen we onze democratie vormgeven, hoe moet beleid reageren? Ook binnen de master zullen deze vragen gethematiseerd worden: de studenten moeten zich uiteenzetten met de medialisering van de samenleving. Welke functie heeft film binnen de enorme lawine aan beelden en geluiden die wij continu over ons uitgestort krijgen?
Uniek
Op het moment is Bernink druk bezig om draagvlak voor de nieuwe master te creëren, gastdocenten en leden voor het curatorium te polsen. Ze is in gesprek met collega’s en alumni van de Filmacademie, maar eveneens met ‘zusterinstellingen’ als de Rietveldacademie, de AKV/ St. Joost en de HKU om te toetsen of haar visie op de masteropleiding aansluit bij hun behoeften.Desk research helpt om het aanbod van soortgelijke opleidingen in Europa en de Verenigde Staten in kaart te brengen. Bij de precieze vormgeving van de master komt Berninks internationale netwerk goed van pas. ‘Duidelijk is dat Master of Film van de AHK uniek is omdat hij niet zal uitgaan van de verschillende vakdisciplines, omdat hij twee jaar duurt, een brede instroom kent en niet productiegedreven is. Inzet van de master is verdieping, verbreding en vernieuwing. Uitzonderlijk is ook het individuele perspectief van de opleiding, en, daarmee, de vraaggestuurdheid van de opleiding. Studenten zijn bezig met hun eigen individuele onderzoekvraag. Wel worden zij in de gezamenlijke programmaonderdelen geconfronteerd met andere visies en andere manieren van omgaan met film. De opleiding moet een permanente dialoog opleveren waarbinnen de student zich individueel kan ontwikkelen tot meester in zijn vak.’
